Ik ben groot voorstander van puzzelen waarom een kind doet wat het doet. Niet alleen bij confettikinderen, maar bij álle kinderen. Uitpluizen hoe gedrag ontstaat. Want als je begrijpt waar iets vandaan komt, kun je vaak problemen vóór zijn in plaats van steeds brandjes blussen.
Stel: je weet dat je kind overprikkeld raakt van nóg een activiteit na school. Dan kun je door één activiteit weg te laten voorkomen dat je kind opnieuw boos, moe en uit balans raakt.
Of een kind dat in de loop van de week steeds meer strijd zoekt en controle wil houden. Dat zijn vaak pogingen om grip te voelen. Hoe vermoeider kinderen zijn, hoe minder flexibel ze kunnen ‘denken’ en hoe meer ze controle zoeken. Goed observeren leerde ons: op vrijdag was dit meisje gewoon doodop. Hé, handig om te weten, toch? Door rekening te houden met haar energieniveau en de donderdag anders in te steken, verdween de strijd als sneeuw voor de zon.
Of dat kind dat hevig reageerde op zwemles, tot we ontdekten dat er een bijna-verdrinkmoment onder zat. Geen ‘lastig gedrag’, maar een logisch gevolg van iets wat te groot was geweest. Daarom is onder de ijsberg kijken zo waardevol. Gedrag vertelt ons iets. En vraagt iets van ons als ouders of als leerkracht.
En toch hoor ik het nog vaak:
“Maar dat softe ouderschap brengt ze toch niks?”
“Als je alles onder de mantel der liefde schuift, wordt het toch niks met zo’n kind?”
Bij doorvragen blijkt dan meestal een voorkeur voor lik-op-stuk, straffen en laten zien wie de baas is. Een hardnekkig idee, afkomstig uit de jaren 50 tot 70: dat kinderen sterk worden van macht en straf. Inmiddels weten we beter. Straf en macht geven vooral de volwassene een gevoel van controle. En laat dat nou precies zijn wat confettikinderen soms oproepen: machteloosheid en gebrek aan grip. Logisch dus dat je sneller naar een machtspositie grijpt. Maar effectief? Zelden.
De laatste tien tot twintig jaar kantelen we gelukkig meer richting hechting, emotionele ontwikkeling en co-regulatie. Verbinding staat centraler dan macht. En nee, dat betekent niet dat je als ouder ‘grenzeloos’ bent. Jij bepaalt nog steeds waar de grens ligt. Grenzeloosheid = onveiligheid. Sturing bieden aan een kind in de vorm van grenzen, structuur en voorspelbaarheid geeft een kind juist een hele vruchtbare basis om goed te kunnen ontwikkelen.
Als een kind een spel steeds verstoort is het een logische consequentie dat het even niet mee kan doen. Om maar een voorbeeld te noemen. Ook is het heel gezond als een kind een keer ervaart ‘shit, dit is mij niet gelukt’ of ‘he, dit was echt niet leuk’. Een kind mag struikelen en jij bent er als ouder die je kind helpt opkrabbelen als dit (al) nodig is. Maar niet om alles weg te poetsen. Mijn punt is inmiddels vast duidelijk: bekijken wat een kind nodig is niet hetzelfde als grenzeloosheid of alles wegpoetsen voor je kind.
Dus als ik weer hoor: “Is het niet tijd dat we stoppen met dat softe gedoe?” dan gebruik ik graag de zwemdiploma-metafoor. Een kind zonder zwemdiploma gooi je niet in het diepe terwijl je vanaf de kant roept: “Kom op, je moet zwemmen!” Zo leert een kind het niet. Je leert een kind zwemmen door het stap voor stap op te bouwen. Eerst voelen, oefenen, vertrouwen krijgen en begrenzen waar nodig. Pas daarna kun je loslaten.
Zo werkt het ook met gedrag. Kinderen doen het goed als ze het kúnnen. Wanneer je gedrag door deze bril bekijkt, verandert je kijk op een kind. Je ziet geen lastig kind, maar een kind dat nog iets te leren heeft.
En precies daar maken wij als volwassenen het verschil. Stap voor stap, in behapbare stukken. Je kind groeit, leert en ontwikkelt zich. Daar mag je op vertrouwen. Beloofd.
