Laatst was ik samen met mijn man aan het trainen in de sportschool. Mijn nichtje van vier en mijn zoontje van negen waren mee. En ondanks het leeftijdsverschil kunnen die twee uren met elkaar spelen. Alsof ze zelf totaal vergeten dat er vijf jaar tussen zit.
Terwijl wij aan het sporten waren, hadden zij een hoekje waar ze zich mochten vermaken met allerlei materialen uit de sportschool. Trainingsmatjes, kleine gewichtjes, lintjes en nog wat andere attributen. Binnen een paar minuten ontstond er een plan. Ze gingen een parcours bouwen. Niet zomaar een parcours natuurlijk. De vloer was lava. En wie de vloer aanraakte was af, dat soort leuke ongein.
Mijn zoontje ging enthousiast aan de slag. Met zijn lange(re) benen legde hij het parcours zo neer dat er flinke stappen gezet moesten worden. Voor hem leek dat volkomen logisch. Mijn nichtje keek er iets minder overtuigd naar. Ze bestudeerde de afstand tussen de matjes, keek naar het parcours en zei toen een beetje beteuterd: “Tante Daan, ik vind dit moeilijk hoor.”
En direct voelde ik de neiging opkomen om een klein beetje te helpen. Iets te doen. Een matje te verschuiven. Het parcours iets makkelijker te maken. Even mee te denken. Gewoon een heel klein beetje helpen.
Maar mijn man was mij voor. “Dat is juist goed,” zei hij tegen haar. “Als iets moeilijk is, betekent het dat je je best moet doen.” Mijn nichtje knikte alsof dit de normaalste zaak van de wereld was en begon aan het parcour.
Terwijl ik stond te kijken, realiseerde ik me dat ik iets deed waar ik notabene zelf ouders in train. Dat we kinderen zelf moeten laten struikelen, dat we niet alles moeten willen oplossen voor kinderen. Juist omdat je ze een veerkrachtige toekomst gunt. En he, volgens mij was ik hier de curlingouder. Of in dit geval: de curlingtante. Want eerlijk is eerlijk, mijn man had een punt. Ik wilde haar ongemak wegnemen. Ik wist niet eens of ze het wel of niet kon, maar ik wilde blijkbaar haar worsteling wegnemen.
En dat zette me aan het denken. Want als je kijkt naar makkieland, lefland en paniekland, dan stond mijn nichtje eigenlijk precies waar je wilt dat kinderen af en toe staan: in lefland.
Makkieland is comfortabel. Daar lukt alles ongeveer direct. Fijn natuurlijk, maar je leert er weinig nieuws. Paniekland zit aan de andere kant van het spectrum. Daar wordt iets zó moeilijk dat je vastloopt, blokkeert of opgeeft. Ook daar vindt leren nauwelijks meer plaats. Maar daartussen ligt lefland. Dat ongemakkelijke stukje waar je denkt: oei, kan ik dit wel? Waar je moet doorzetten. Waar je iets spannend vindt. Waar je misschien een keer bijna misstapt. En juist daar gebeurt vaak de groei.
Ik denk dat we als ouders soms vergeten hoe verleidelijk het is om een kind uit lefland weg te halen. Niet omdat het kind dat altijd nodig heeft, maar omdat wij het ongemak voelen. We zien die frons. Die twijfel. Dat beteuterde gezichtje. En voor we het weten schuiven we een figuurlijk matje dichterbij.
Terwijl zelfvertrouwen meestal niet ontstaat doordat iemand tegen je zegt dat je iets kunt. Zelfvertrouwen ontstaat doordat je ontdekt dat je iets kunt. Dat is een belangrijk verschil. Mijn nichtje zette uiteindelijk stap voor stap het hele parcours af. Ze twijfelde af en toe. Moest goed kijken. De stappen waren groot. Maar ze deed het. Helemaal zelf. Aan het einde draaide ze zich om met een grote glimlach. “Zag je dat, tante Daan?”
En ik durf te wedden dat ze veel trotser was dan wanneer ik haar had geholpen. Niet omdat het allemaal nou zo perfect ging. Niet omdat het makkelijk was. Maar juist omdat het moeilijk was geweest. Ze had moeten doorzetten. Ze was door haar eigen ongemak heen gegaan. En aan het einde van het parcours wachtte een uitstekende les die ieder kind kan leren: Ik kan meer dan ik dacht.

