In deze blog neem ik je mee in het belang van verbindingsbrandstof. Juist voor de bruisende, temperamentvolle en prikkelgevoelige kinderen. En ja, dus ook wat er gebeurt als die brandstof ontbreekt. Lees je mee?
Jaren geleden hielp ik mee tijdens de Koningsspelen op de school van mijn nichtje. Een school die ik goed kende vanuit mijn werk. Toen mijn zus vroeg of ik wilde helpen, twijfelde ik geen seconde: leuk! Doe ik. Ik kreeg een groepje van zes kinderen onder mijn hoede. Eén van hen was Kees. Het jongetje dat “bekend” stond om zijn gedrag. Als er iets gebeurde, was Kees vaak in beeld.
De ouders en begeleiders verzamelde in het klaslokaal. Nog geen vijf minuten na binnenkomst kwam Kees iets te laat binnen en een klasgenoot grapte: “Wie te laat is, trakteert!” Ik zag het vuur direct in zijn ogen. Hij riep dat hij geen geld had en dat het de schuld van zijn moeder was. Toen ik uitlegde dat het een grapje was, zakte de spanning iets, maar de tranen zaten hoog. De kinderen gniffelden: “Typisch Kees.”
Een lange ochtend
De Koningsspelen begonnen, we mochten naar het veld. Muziek, drukte, wisselingen, zon, andere leerkrachten… Ik zag Kees steeds onrustiger worden. De structuur van een gewone schooldag was weg en daarmee ook zijn houvast. Hij werd onrustig, vloog alle kanten op en er ontstonden wat ‘gedoetjes’ met andere kinderen. Het was veel. Te veel.
Op weg naar buiten stond iemand per ongeluk op zijn schoenen. Kees keek op en schold vrijwel direct. Een leerkracht greep in: “Dit gedrag kan niet, ik geef het door aan je juf.” Kees barstte in tranen uit: “Ik krijg altijd de schuld.” Even later gooide hij zijn lege pakje drinken op de grond in plaats van de prullenbak. Dit tafereel zag een andere leerkracht gebeuren. Weer correctie: ”Oprapen Kees, het is met jou altijd hetzelfde liedje”. Weer strijd. Bij het volgende dansspelletje weigerde Kees mee te doen. “Ik ben teleurgesteld in je,” zei de volgende begeleider. “Dat boeit me helemaal niets,” beet Kees terug.
Waar eerst verdriet zat, stond nu een muur vol afweer. Hard en hoog. Alsof hij dacht: laat maar, ik doe toch alles fout.
Wat ik zag
Terwijl ik met hem meeliep, groeide de steen in mijn maag. Natuurlijk moest er begrensd worden. Natuurlijk is dit pittig voor de leerkrachten. Tegelijkertijd zag ik ook hoe elke correctie hem een beetje kleiner maakte. Hoe weinig positieve momenten hij had op een ochtend. Hoe zijn behoefte aan veiligheid en verbinding steeds verder naar de achtergrond verdween. En hoe hij langzaam begon op te geven.
Wat dan wel?
Natuurlijk. Kinderen hebben sturing nodig. Sturing in de vorm van structuur, grenzen en logische consequenties. Juist daarom heb ik hier een uitgebreid hoofdstuk over geschreven in mijn boek Confettikinderen. Maar tegelijkertijd kunnen ze niet groeien zonder positieve verbindingsbrandstof. Zonder een fijne relatie waar ze op mogen varen. Het voorbeeld van Kees is misschien uitvergroot, maar juist daardoor wordt het mechanisme zichtbaar. Niet om met een vingertje te wijzen (want ja dit gedrag vraagt heel veel van zijn omgeving!), wel om te laten zien hoe snel gedrag kan verharden als een kind vooral hoort wat er allemaal niet goed gaat.
Want juist kinderen bij wie het gedrag “schreeuwt”, hebben zij het hardst nodig dat iemand blijft fluisteren: “Ik zie jou. Jij hoort er ook bij.” Dat vraagt liefdevolle sturing. Duidelijkheid. Voorspelbaarheid. En óók: kleine uitnodigingen. Een ander spelletje voorstellen. Een compliment. Een klopje op de schouder. Een gezellig momentje samen. Daar los je heus niet in een klap al het gedrag van Kees mee op maar je plant wél zaadjes. In de relatie. In het zelfbeeld en hiermee de ontwikkeling van het kind.
Bij Kees kwam er per toeval een nieuwe leerkracht op school. Een gelukstreffer, zo bleek. Zij kon met hem lezen en schrijven. Zij begrensde maar nodigde hem ook opnieuw uit om mee te doen met een spelletje. Ze vertelde duidelijk wat er van hem verwacht werd. Ze knipte in haar vrije tijd picto’s uit die perfect op zijn tafeltje paste en ze nodigde ouders regelmatig uit op school om te vertellen waar ze trots op was. Ze koos er soms voor om te corrigeren zonder taal te gebruiken. Heel simpel. door samen met hem de papierprop op te rapen. Door te laten zien hoe je een grens aangeeft zonder dat je vuur hoeft te spuwen. Kinderen leren veel meer van wat we doen dan van wat we vertellen.
Verbindingsbrandstof was er door deze juf genoeg. Maanden later kwam ik weer op school en zag ik dat Kees vrolijker was. Vrijer. Hij lachte meer. Zijn gedrag vroeg nog steeds wel eens om duidelijke begrenzing. Maar daar stond een heleboel positieve verbinding tegenover. De ‘scherpe’ randjes waren ervan af. En dat, dat gun ik ieder kind!
